water

Ach, denk ik, als ik in de verte twee opgeschoten jongens in hoog tempo tegen de berg op zie lopen. Ach, stel je voor dat dat mijn zoons waren. Die ons tegemoet kwamen. Met water. De zon brandt op mijn schouders, mijn keel is droog, mijn knieën doen pijn. Het is vijf uur geweest en we zijn al zes uur onderweg. Nee, natuurlijk zijn die jongens daar in de verte niet míjn zoons. Die kijken wel uit om nog een keer die berg op te gaan. Die zijn blij dat ze thuis zijn. We hebben drie kwartier eerder afscheid genomen. De jongens zijn een stuk sneller dan ik, en Dick is zo aardig dat hij mijn tempo aanhoudt. We hebben veel te weinig water meegenomen. Vijf liter voor met z’n vijven – dat is dus niet genoeg als je op zo’n warme dag naar het Gafierjöchli klimt en vandaarvia Zwitserland naar het Sankt Antonierjoch, over sneeuw en gruis en rotsblokken, een berggraat uit de boekjes, met aan beide kanten ruimschoots kansen om naar beneden te vallen.

‘Ik dacht even dat het de jongens waren,’ zegt Dick. ‘Ik ook,’ zeg ik. ‘Laten we rennen.’ De weg is zo steil dat je het beste kunt rennen. Wat alleen maar kan als je een man hebt die je hand stevig vasthoudt en die tegenwicht biedt. Het gaat ten koste van zijn knieën, maar het schiet wel lekker op.

‘Hé!’ schreeuwen de jongens die op onze zoons lijken. ‘Hé, pap! Mam!’ Ze lopen met grote stappen tegen de steile helling op. ‘Hé, mams. Jullie zien er heel grappig uit als jullie zo naar beneden rennen. Water?’

Ze zijn naar huis gegaan, hebben een fles met water gevuld en zijn meteen weer teruggekomen. ‘Daarom vroegen we of jullie langs deze weg naar beneden zouden gaan.’ ‘We zijn wel met onze bergschoenen aan naar binnen gelopen.’

Delen: