vriendelijk

Mijn moeder ligt nog in bed als ik om kwart voor vier langskom. Ze heeft met haar medebewoners een uitstapje gemaakt naar het Paterswoldse meer, waar ze geluncht hebben op een terrasje. Ze slaapt, maar als ik haar begroet, stapt ze meteen uit bed en trekt de gordijnen open. De zon schijnt, het is benauwd warm in haar kamer. Ik zet thee, we zingen liedjes, ze maakt een houten insteekpuzzel. ‘Ik voel me zo raar,’ zegt ze. ‘Ik ben zo moe en ik begrijp niet waarvan.’
‘U bent weggeweest,’ zeg ik. ‘Met de bus. Jullie zijn bij het Paterswoldse meer geweest. Ik snap best dat u moe bent.’
Ik zet haar stoel naar achteren, zodat ze kan liggen. ‘Leuk, die beestjes,’ zegt ze, en ze kijkt naar de kleine plastic poesjes in de kast. ‘En dit is ook heel belangrijk.’ Ze pakt haar kerkboek en bladert erin. ‘Ik voel me raar.’
‘Hebt u last van uw rug?’
Ja, dat is het. Ze heeft rugpijn, een gevolg van de osteoporose. Ik geef haar twee paracetamols, masseer haar onderrug, ga zelf op de bank liggen, zodat ze weet dat ze achterover mag liggen, dat ze niks hoeft.
‘Ik voel me zo moe. En mijn rug doet pijn.’
‘Wilt u misschien even in uw bed liggen?’
‘Misschien is dat wel beter. Je hebt schitterend haar.’
Ik help haar in haar bed. ‘Je bent heel vriendelijk,’ zegt ze. ‘En bekwaam ook. Dus je komt me straks weer halen? Ik reken op je.’
Als ik thuis ben, ontdek ik dat ik mijn mobiel niet meer heb. Ik fiets terug naar de Cirkel. Mijn moeder zit in de huiskamer en eet een boterham met ei. Ik zoek in haar tas, die wel honderd vakjes heeft. Ik vind drie fotoboeken en een tijdschrift, maar geen mobieltje. Als ik weer thuis ben, ontdek ik via ‘find-my-iphone’ waar mijn mobieltje ligt: in de Cirkel. Ik laat een boodschap achter, en een minuut later word ik teruggebeld door een van de verzorgenden. ‘Hij zit in je moeders tas.’

Delen: