Tien keer zo snel

‘Spaar je adem.’ Ik hoor het mijn moeder nog zeggen, als ze een berg beklom. Veertig jaar later begrijp ik wat ze bedoelde. Maar mijn zoons, die al vijf minuten op me zitten te wachten, zijn vol lof als ik hen eindelijk bereikt heb.
‘Je bent snel mam. Echt waar. Tien keer zo snel als vorig jaar.’
Zelf zijn ze uiteraard vele malen sneller. Ze stuiteren druk converserend (in het Engels, de taal waarop ze altijd automatisch overschakelen als ze met elkaar praten) de bergen op, zonder in te houden, zonder enig teken van inspanning, terwijl ik met mijn hartslag van boven de 140 niet eens kan praten.
Ik krijg een fles water aangereikt. ‘Dit had je vroeger nooit gekund. Chocoladekoekje?’
‘Je kunt echt merken dat je een betere conditie hebt. Komt door dat hardlopen he.’
De mannen halen herinneringen op aan hoe ik voetje voor voetje naar boven schuifelde. Hoe ze me omhoog trokken.

Eerlijk gezegd, vergeleken met Dick en de jongens ben ik nog steeds de trage moeder aan wie ze hun tempo en hun doelen aanpassen. Maar we doen wandelingen die Dick een paar jaar geleden in zijn eentje deed, omdat ik het niet zag zitten. En na een klim van 1500 meter zegt de Duitse Manfred, die in een afgelegen hut op de koeien past, vol verbazing: ‘Hoe is de Mutti hier nou gekomen? Klimmend? Dat hele eind?’
Het lijkt er toch op. Dat hardlopen echt iets verandert. Dat je er sterker van wordt.

Maar het kunnen ook die vitamine B-12-injecties zijn, natuurlijk.

Delen: