oudjaar in Sambolo

Wat, zijn jullie nog nooit in Sambolo geweest?’ vroeg mijn vriendin Wieke begin 2004, terwijl onze zoons met elkaar door de tuin renden. Sambolo was in Jakarta wat Schiermonnikoog of Ameland is in Nederland. Even helemaal weg, de drukte uit. Even geen smog, geen auto’s, geen lawaai. Eenvoudige, houten huisjes aan het strand, lezen in de schaduw van een palmboom, terwijl de kinderen in zee speelden (nergens zo’n rustige zee als in Sambolo), een buitendouche, een bak water om je voeten in te spoelen voor je naar binnen ging, vers fruit van het mevrouwtje dat langs kwam, ’s avonds gebarbecuede vis, in slaap vallen bij het geluid van de golven. Geen winkel in de wijde omtrek, als je per se brood wilde moest je meer dan een uur rijden. Op heldere dagen zag je een donkere driehoek uit zee oprijzen: de Anak Krakatau. Daar konden we met een bootje naar toe, maar we deden het niet. We vonden het wel prima. Lezen, zwemmen, spelletjes doen.

In mei 2007 was de zee zo woest dat de golven de huisjes binnen spoelden. We waren met een heleboel families, maar we hadden geen idee wat we moesten doen. Het water kwam steeds hoger, maar we konden nergens naar toe, want de weg was ook onder gespoeld. ‘Eerst eten,’ zei Elis met Indonesische nuchterheid. Dus we aten. De volgende morgen was een deel van de huisjes onbewoonbaar: bedekt met een dikke laag zand. Maar het was meer lastig dan erg.

 

Tien jaar geleden waren we er voor het laatst. Het was oudjaar, mijn ouders waren mee, en onze vrienden Elis en Arnold en hun zoons waren er ook. Mijn moedertje zwom in zee, we aten samen, dronken een biertje bij de ondergaande zon en we keken naar de Anak Krakatau, we gingen naar bed en vielen in slaap, en vlak voor twaalf uur werden we wakker en staken een paar vuurpijlen af, en toen gingen we weer naar bed.
De jongens maakten met school een uitstapje naar de Anak Krakatau en beklommen de vulkaan.
Het was zo veilig, dachten we.

Delen: