Kinderboekenweek 2014

De Kinderboekenweek begint vroeg, dit jaar. Op 1 september, wel te verstaan. Ik ben uitgenodigd op een Brede School, die net geopend is. Een week lang feest dus, met allemaal optredens van schrijvers en bibliotheekmedewerkers. En de chaos die hoort bij een net nieuwe gebouw, waar nog niet alles op z’n plek ligt, en waar het nog ruikt naar verf en hout en vers linoleum.
In de hal is een brede trap die ook dienst doet als tribune. Hier moet ik mijn presentatie houden. Maar waar is het verrijdbare digibord? Een juf gaat erachteraan en haalt het op uit een van de kleuterlokalen. Er is geen stopcontact in de buurt. We hebben een verlengsnoer nodig. Maar waar zijn de snoeren? De haspels? Meesters en juffen gaan op jacht. De eerste groep kinderen arriveert. Gelukkig, er komt iemand met een snoer aan. Het digibord kan eindelijk worden opgestart. De tweede groep arriveert, en de tribune zit nu vol met vrolijke kinderen die geen flauw idee hebben wat ze hier doen, wie ik ben en wat ik kom doen, maar het wordt vast wel gezellig. Ja hoor, kijk nou, daar loopt een levensgrote groene Kikker voorbij, en vanuit de gang komt een groep kleuters in ondergoed, die in het lokaal naast de hal gaan dansen, en op de tribune kun je trouwens ook je voeten in elkaars nek leggen. Een juf en een paar kinderen uit een andere groep slepen een loodzwaar, metersgroot matras tegen de trappen op. Het digibord doet het niet. Mijn powerpointpresentatie doet het niet. Ik zal het moeten doen met twee fietsbellen, een zak spekkies en een oude Indonesische schatkist.
Na drie kwartier – kleuters die zo zachtjes mogelijk langs komen sluipen in hun ondergoed, een groep kinderen met stoelen die de hal oversteken op weg naar een ander lokaal, kinderen uit andere klassen op de eerste verdieping die een kijkje komen nemen – stelt een van de juffen voor om toch maar naar haar lokaal te gaan. We gaan met z’n allen naar boven, en de kinderen proppen zich met z’n vijftigen in een ruimte die voor vijfentwintig kinderen bedoeld is. De helft van de kinderen gaat vlak voor mijn voeten op de grond zitten. Maar ik kan eindelijk de filmpjes over Olivier laten zien, en de kinderen zien hem de finale van de 200 meter rugslag zwemmen, en ze moedigen hem aan, en ze roepen dat hij vol moet houden, en ze applaudisseren als hij Ploomipu, die steeds dichterbij komt, voorblijft en het goud haalt. ‘Is dat uw zoon?’ ‘Is het echt gebeurd?’
‘O, u bent schrijfster,’ ontdekt een van de leerkrachten.
Na schooltijd komen drie jongens op me af. ‘Mag ik Olivier z’n telefoonnummer? Ik heb geen Facebook, dus ik wil hem even opbellen.’

Delen: