Je bent wel een beetje uit je bol gegaan

Het is net een eng sprookje, de kinderen alleen thuislaten en zelf een heel weekend naar Terschelling gaan. De woorden ‘moederziel’ en ‘arme bloedjes’ dringen zich op. Maar kom op, ze zijn 15 en 15 en 15 en 18. Ze vallen in voor een wiskundeleraar, bezorgen kranten, bakken pizza’s, doen de was. Ze zijn allevier groter dan ik.
Het zou eens tijd worden.
Het voelt een beetje roekeloos om op de boot te stappen. De boot, dat betekent: echt weg. Niet zomaar in een uurtje terug kunnen zijn. Maar vanaf het moment dat we van de boot af fietsen, valt de rust over ons heen. Het is grijs, het miezert, er ligt nog sneeuw, maar het ruikt naar de zee, we horen vogels, dit is Terschelling. We hebben vakantie.

We wandelen en fietsen twee dagen lang en slagen erin om vier van de vier keer te verdwalen. Een paaltjeswandeling waarbij de paaltjes zomaar middenin de duinen lijken op te houden en we urenlang hardnekkig blijven ronddwalen en (‘we hebben allebei gestudeerd! We móeten dit kunnen!’), een fietstocht naar de Boschplaat waarbij we de Boschplaat niet kunnen vinden, bospaadjes die niet befietsbaar blijken en eindigen in mul zand.
En ondertussen onderhouden we een hotline met de jongens. Thuis loopt alles gesmeerd. ‘Mam. Vierentwintig hamburgers? Je bent een béétje uit je bol gegaan.’

Als we maandagmiddag thuiskomen komen ze naar beneden gedenderd. We worden stevig omhelsd en in de koelkast staat een kwarktaart die ze zelf gemaakt hebben. Van hun eigen geld. ‘En we hebben ook Merci voor jullie gekocht.’

Delen: