heel hard

We liepen naar school, mijn broertje en ik. Nee, we holden. We gingen altijd te laat weg, ’s morgens, dus er waren hele stukken die we moesten rennen. De Vondellaan over, langs de BP-garage waar ze smurfenpoppetjes hadden, en soms Romeinse munten of bijzondere schelpen. Door de Torenlaan, met de kleine, armoedige huisjes. Een jongetje in hemd en onderbroek stond voor het raam, vlakbij de kachel, en werd aangekleed door zijn moeder. Langs de stomerij, de Kerkstraat over, langs de Dorpskerk waarop we zagen hoeveel tijd we nog hadden. De lucht die in wolkjes uit onze mond kwam. De spinnenwebben met dauwdruppels.
Toen mijn zusje vier was, moest ze ook mee. Ik gebruikte haar sjaal als een leidsel. Zij was het paard, en ze rende van lantarenpaal naar lantarenpaal.

In de afgelopen jaren droomde ik ’s nachts vaak dat ik rende, zo hard ik kon. Het geklets van mijn schoenzolen op de stoep. De stille straten. En dan werd ik wakker. O ja. Ik rende niet meer. Ik kon niet rennen. Dat wist ik toch?

Nu loop ik eindelijk weer hard. Nou ja. Hard. Ik doe 7 minuten over een kilometer en ik word altijd ingehaald. Door iedereen. Maar dat geeft niet.
Vorige week waren we in Küstelberg, Dick en ik. Ik ging een eind hardlopen.
Berg af. Voorzichtig.
Berg op. Langzaam.
Dick liep het zelfde rondje, in omgekeerde richting. ‘Goed bezig!’ zei hij toen hij me tegenkwam (ik was nog niet op de helft), en hij gaf me een high five. Toen ik bijna thuis was, kwam hij me tegemoet. Nog vierhonderd meter. Bergafwaarts. Ik begon te rennen, te rennen, alsof de schoolbel elk moment kon gaan. Mijn benen vlogen bijna onder me vandaan. Het was of ik droomde.

 

Delen: