Dancing Queen

Hoe lang kun je je verbazen over dat je blijkbaar tóch kunt hardlopen? Ik kan het nog steeds niet geloven. Want het is zo níet iets voor mij. Ik ben TOTAAL niet sportief van mezelf. Ik was niet goed in toestellen, ik kon geen koprol achterover, en bij volleybal was ik degene die in de weg liep en die wegdook voor elke bal. En hardlopen kon ik dus al helemaal niet.

Het is enkel en alleen Marijke. Die dat hardloopboek wilde tekenen en die een schrijver nodig had. Hilarisch toch, dat ik helemaal niet kon hardlopen, en dat ik het dan toch ging proberen en dat ik dan kon schrijven over mijn mislukkingen? Ik had er geen rekening mee gehouden dat het virus zou kunnen overslaan. Dat ik mijn tanden hierin zou zetten, hoe langzaam ik ook was, hoe kort de afstandjes ook waren die ik liep, en dat ik ernaar zou gaan uitkijken om weer te mogen lopen.

Ik deed in maart mee aan mijn allereerste loopje. Ik kwam als laatste binnen bij de 5 kilometer. Ik had ‘dancing queen’ van Abba op repeat gezet om me niet al te eenzaam te voelen, daar helemaal achteraan. Ik voelde me een soort bedrieger die er niet tussen hoorde.

Maar in mijn heupen begonnen botten tevoorschijn begonnen te komen die ik al jaren niet meer gevoeld had, en ook voelde ik een bepaald soort spieren in mijn bovenbenen die ik nog niet eerder had gehad, tenminste, misschien waren ze in aanleg aanwezig, maar ze waren weinig gebruikt. ‘Ik kan eigenlijk wel 10 kilometer proberen,’ zei ik tegen Dick, toen we er achter kwamen dat we tijdens de jaarlijkse Adventure Run op Ameland zouden zijn. ‘Moet je doen!’ zei hij. ‘Kun je makkelijk. Dat loop je al zo vaak.’

Ik vond het doodeng. Ik had keelpijn en ik was snotverkouden. Maar ik kon het toch proberen? Ik kon altijd halverwege stoppen als ik zou willen. Ik hoefde ook helemaal geen goeie tijd te lopen. Ik deed het alleen voor mezelf.

Kleumend en zenuwachtig fietste ik naar Nes. Wat een feest. De muziek, de vlaggen, al die blije, uitgelaten mensen die in de kleine straatjes stonden te wachten. De eerste langzame meters langs allemaal klappende toeschouwers. Die aardige marathonloper uit onze kerk die even een eindje mee kwam lopen: ‘Je kunt het, Corien!’ Het dorp uit, de weilanden in, het bos door, het strand op. Zuidoostenwind, kracht 5, pal tegen. ‘Naar rechts, naar rechts!’ De halvemarathonlopers kwamen al voorbij, in hun shirtjes en korte broeken. Het mulle zand tegen de duinen op. Een bekertje warm water. Het bos in. Ik werd voortdurend ingehaald. Maar toen we weer op de verharde weg liepen, begon ik zelf mensen in te halen. Ik voelde me goed. En blij. De woorden van Dave Baars van Running Holland, die ik had geïnterviewd voor ons boek, klonken in mijn hoofd. ‘Zorg dat je in de laatste kilometer versnelt.’ Mijn laatste kilometer was mijn snelste. Ik eindigde in 1.15.15. Er kwamen nog minstens 100 mensen na me binnen. Ik ben ook supertrots op mijn echtgenoot (foto hierboven, achter gele jasje) Die liep de halve marathon in 1.45.38. Kijk. Dat is dus een echte loper.

 

 

 

 

 

 

 

En mocht iemand een gouden armbandje gevonden hebben, op het strand, of in Nes: ik kreeg het van Dick, en het zou mooi zijn als ik het weer terug vond. Maar dat ik dit hardlopen heb gevonden, dat we dit samen doen, Dick en ik, dat is onbetaalbaar.

En ondertussen wordt er hard gewerkt aan de Finse en Hongaarse vertaling van ons boek. Best gevaarlijk, ‘morgen ga ik echt’. Voor je het weet ben je verslaafd.

 

Delen: