You’re doing jolly good!

Het komt allemaal door dat boek, natuurlijk. Dat boek van Marijke en mij over hardlopen. Ik zou de teksten schrijven, en ik kon natuurlijk niet schrijven over hardlopen als ik het zelf niet ook zou doen. Mijne eerste poging, ruim een jaar geleden, liep binnen twee weken helemaal mis. Ik kwam al strompelend bij de fysiotherapeut terecht, en besloot dat ik nooit weer mijn knieën zou gaan opofferen aan een sport die duidelijk niet voor mij was weggelegd. Zwemmen. Dat kon ik wel.

Maar toen het buitenbad dicht ging na de zomer besloot ik het hardlopen nog een laatste kans te geven. Ik bouwde op via Fitop4, en dit keer lukte het wel. Na negen weken kon ik eindelijk een half uur achter elkaar hardlopen. ‘Je moet aan een loopje mee gaan doen,’ zei Marijke. ‘Dat is zoooo gezellig.’

Op 10 maart zou de Halve van Haren gehouden worden. Vorig jaar stond ik nog aan de kant, terwijl Dick en Lennart de halve marathon liepen. Dit jaar zou ik meedoen. Met de vijf kilometer. Ik had nog meer dan drie maanden. En ik ging hard aan de slag. Drie keer in de week liep ik tussen de zes en de acht kilometer, met af en toe een uitschieter naar boven. Ik liep alvast een paar keer de route van de vijf kilometer. Ik vroeg Dick om als pacer voor me uit te lopen, zodat ik mijn tijd naar beneden kon brengen.

Die vijf kilometer, dat zou het probleem niet worden. Maar de tijd. Ik loop namelijk nogal langzaam. En het leek me heel gênant om als laatste te eindigen. Vijfendertig minuten, dat zou mijn streeftijd worden. Dat zou niet snel zijn, maar wel aanvaardbaar.

En toen sloeg de griep toe. De killergriep. Anderhalve week lag ik in bed. De dag vóór de Halve van Haren kwam ik eruit om te kijken of ik het nog kon, vijf kilometer lopen. Dat viel niet mee. Ik moest steeds blijven staan om te hoesten, en ik deed er bijna drie kwartier over. Maar er zouden vast meer mensen zijn die langzaam liepen. Toch? Oude, dikke dames. Meneertjes met rollators. Vriendinnen die de avond ervoor teveel gedronken hadden.

Dus ik verscheen aan de start, en ik wachtte hoopvol op de adrenaline waar mijn collega Wieke van Oordt het altijd over had. Het startschot. Rechts lopen, links inhalen, hield ik mezelf voor. Maar er viel niets in te halen. Ja. Eén bejaarde man die schuifelend aan de vijf kilometer begon en daarna afhaakte. Ik liep achter de enorme sliert renners aan. Langs de kant stonden mensen te klappen. De volgauto haalde me in. Het verkeer begon weer te rijden. Ik moest op de stoep. ‘Jolly good!’ riep een Engelse meneer ergens tussen de weilanden. ‘You’re doing jolly good!’ De tienkilometerlopers voor me sloegen een andere weg in, en nu was ik helemaal alleen.

Tegen de brug over het spoor op. Waarom had ik mijn oortjes niet in? Waarom had ik ze thuis gelaten? Hier liep ik, in mijn eentje, net als anders, maar nu zonder muziek. Ik pakte mijn mobiel uit mijn jaszak en zette Abba aan. Dancing queen. Zo hard mogelijk. En zo liep ik mijn laatste kilometers. Jolly good, zei ik tegen mezelf. You’re doing jolly good.

Ik kwam als laatste binnen, en sprong in de armen van mijn man, die nog steeds bij de finish stond te wachten, terwijl er vijf minuten eerder al was omgeroepen dat alle vijfkilometerlopers binnen waren. Thuisgekomen gooide ik mijn medaille in de vuilnisbak en ik keek op mijn horloge. Een gemiddelde hartslag van 168. Veel en veel te hoog. Ik had niet harder kunnen lopen met de griep nog in mijn lijf.

37 minuten en 6 seconden. Dat is mijn pr op de vijf kilometer. Ik persoonlijk vind dat jolly good.

 

 

 

 

 

foto bovenaan: Bart Hof

Delen: