wrede rotziekte

Voor het eerst in haar leven lukte het mijn moeder niet meer om de belasting te doen. Ze werd er wanhopig en boos van, en was vastbesloten om de taak niet uit handen te geven. Maar mijn vader moest het overnemen. Er gingen meer dingen mis. Mijn moeder raakte dingen kwijt, ze ging naar het dorp waar ze al meer dan veertig jaar woonde en kon de weg naar huis niet meer vinden. Maar de mededeling van de dokter kwam als een mokerslag. Alzheimer. Mijn moeder was er kapot van. Ze herinnerde zich haar oma, een in het zwart gekleed nietig vrouwtje dat niets anders meer deed dan aardappels schillen. Al vóór de oorlog was ze naar een verzorgingshuis gebracht omdat het thuis niet meer ging. Net op tijd heeft haar man haar er weer uitgehaald, want kort daarna hebben de Duitsers alle inwoners weggehaald en naar concentratiekampen gebracht. Ze herinnerde zich haar vader, die leed aan wat we toen ‘aderverkalking’ noemden. Hij was ervan overtuigd dat de dominee iedere week dezelfde preek hield, en dat hij het achtuurjournaal gisteren ook al gehoord had. En hij was boos. Boos op de dominee, op de man van het journaal, boos op mijn oma, boos op iedereen. ‘Maak je geen zorgen,’ zei mijn vader tegen mijn moeder. ‘Jij hebt een heel lichte vorm van dementie.’ En hij zorgde voor haar. Hij ving op wat misging. Hij gaf haar haar medicijnen, liet iedere ochtend een bad voor haar vollopen, bracht haar ontbijt op bed, ging met haar wandelen, deed boodschappen met haar (‘kun jij een zak mandarijntjes pakken? Daar liggen ze.’). Met elkaar zorgden we ervoor dat ze zo lang mogelijk thuis kon blijven wonen. En toen kwam het moment dat het niet meer ging. Wat een wrede rotziekte.

Mijn moeder woont nu in een verzorgingshuis. De beste plek in deze verdrietige omstandigheden. Een ruime, gezellige huiskamer waar altijd klassieke muziek opstaat, een hondje  dat bij iedereen op schoot springt, lekkere leunstoelen waarin je in slaap mag vallen, lieve mensen om haar heen. Mijn vader gaat elke dag bij haar op bezoek. Maar ze gaat achteruit. Ze is zo zwak. Een jaar geleden liep ze nog in stevig tempo door het park. Nu zit ze in een rolstoel, en ze is al een paar keer gevallen. Twee weken geleden verdwenen de woorden. Er waren nog wel woorden, maar het waren niet meer de goede woorden.

Ik werd van de week geïnterviewd door GrootNieuws Radio omdat ik een voorwoord had geschreven voor het boek ‘Liefdestalen en Alzheimer‘ van Gary Chapman. Gary Chapman gaat er vanuit dat iedereen een speciale liefdestaal heeft. Positieve woorden, tijd en aandacht, dienstbaarheid, cadeaus of lichamelijke aanraking: met een kort testje kun je zien wat jij het meest belangrijk vindt in een relatie, of wat je mist. Volgens Gary Chapman is het de sleutel naar meer begrip voor elkaar. Ook als het gaat om geliefden met dementie. En het zou best eens kunnen kloppen. Mijn moeder, die cadeautjes altijd zo belangrijk vond, wil me vaak een hapje van haar koekje geven, of een stukje appel. ‘Nee, is voor jou,’ zei ik altijd. ‘Eet maar lekker op.’ Maar ik denk nu dat ik een hapje aan moet nemen. Omdat ze zo haar liefde aan me laat zien. ‘Dit boek zou je eigenlijk moeten lezen aan het begin van de ziekte,’ zei mijn vader. Maar hij heeft het allemaal zo goed gedaan.

 

Het gesprek op GrootNieuws Radio kun je hier terugluisteren, vanaf 1:08:25

Delen: