Kruipluik vol geheimen

Op donderdag ben ik tegenwoordig Schoolschrijver op de Zonnewijzer in Siddeburen. Tijdens een van de eerste lessen vroeg ik de kinderen om op zoek te gaan naar hun familieverhaal: het verhaal dat altijd weer verteld wordt op verjaardagen, het verhaal dat iedereen onthoudt. Ik vertelde het verhaal over mijn vader, die de jongste was van 12 kinderen, en die de oorlog meemaakte in Utrecht, en over de onderduikers bij hen in huis.
‘Weten jullie wat een kruipluik is?’
De meeste kinderen wisten dat wel, maar sommige kinderen hadden geen idee.
‘We hebben hier in de klas een kruipluik,’ zei meester Sjerp.
‘Huh?’ zei de jongen die al maandenlang bovenop het kruipluik zat.
‘Mag het even open?’ vroeg ik.
Dat mocht van meester Sjerp. Hij trok het kruipluik open, en alle kinderen dromden eromheen. Een school uit 1924. Dat betekent een kruipluik vol geheimen. Een van de kinderen sprong erin en vond een oude pen. Wie weet wat we er nog meer gaan vinden.
Hieronder het verhaal van Leen Oranje, mijn vader.

In het laatste deel van de oorlog waren er in ons huis veel onderduikers. Ze verstopten zich bij ons omdat we een uitstekende schuilplaats hadden. In de houten vloer van de voorkamer bevond zich een luik. Dat luik was onder het vloerkleed. Op het vloerkleed stond het theemeubel, zodat het kleed niet zomaar even weggetrokken kon worden. Als het gerucht ging dat er weer een razzia op komst was, ging het theemeubel aan de kant, het kleed werd opgeslagen en als de Duitsers de straat inkwamen,  kropen de onderduikers snel achter elkaar door het luik onder de vloer. Het kleed werd over het luik gelegd en het theemeubel ging er bovenop. En iedereen in de kamer keek zo onschuldig mogelijk wanneer de Duitse soldaten binnenkwamen en het huis begonnen te doorzoeken.De onderduikers onder de vloer waren dan al door een tweede opening gekropen, een gat in de muur. Er waren bij die opening een aantal brokken steen, die als een legpuzzel in de opening pasten. Als die stukken waren teruggeplaatst, was de opening onzichtbaar.

In de laatste maanden van de oorlog kwamen er steeds meer razzia’s, omdat de Duitsers stellingen wilden laten aanleggen door gevangengenomen burgers. Het kwam voor dat er zeven man bij ons onder de vloer zaten. De bezorgde echtgenotes van sommigen kwamen kijken of het wel goed ging. Er was in onze kelder een gaatje waardoor je met de  mensen in onze schuilplaats kon praten. Maar je moest wel hard roepen. Soms was dat wel grappig, als een vrouw tegen haar ondergedoken man lieve woordjes loeide.

Ik heb toen gezien hoe schijnheilig mijn moeder tegen Duitse soldaten kon zijn. Zo vroeg ze steevast of ze ook een oude moeder hadden thuis en of die niet erg zielig was. En dan legde ze haar hand op de arm van de soldaat en keek hem medelijdend  aan. Zo leidde ze de aandacht mooi af. Een Duitser die praat zoekt tenminste niet. Ik herinner me een Duitser die  toen reageerde met brede armgebaren en daarbij zoiets zei als: “Bei uns zuhause ist alles kaputt…”

Delen:

Geef een reactie