Ze praat zoals ze schrijft: vlot en onderhoudend. Haar naam, Corien Oranje, is voor leesgrage kinderen inmiddels overbekend. Hoewel ze in Jakarta woont, brengt ze het ene na het andere succesvolle boek op de Nederlandse markt. Een kennismaking met deze schrijfster, die onlangs voor verlof in Nederland was.

Zoenen met een beugel, Supersem!, De nieuwe linksbuiten, Paard bij de dokter, De misdaadmonsters – kinderen smullen ervan. De schrijfster, moeder van vier zoons, onder wie een drieling, woont sinds vijf jaar met haar gezin in Jakarta, waar haar man Dick predikant is. Hij werkt aan Setia, de theologische hogeschool waar bijna twee maanden geleden studenten door hun moslimburen van de campus verjaagd werden. Over haar leven aan de andere kant van de grote plas is ze duidelijk: “Ik vind het heerlijk! Soms vraag ik me af of ik ooit weer zou kunnen wennen in Nederland. Het lijkt me zo saai. In Jakarta sta ik voor mijn gevoel meer in het echte leven; ik kan mijn ogen niet sluiten voor problemen in de wereld, omdat ze heel dichtbij gebeuren. Zo kom ik in gevangenissen, waar ik pastoraal werker ben voor Nederlandse gevangenen. Na de tsunami ben ik naar Atjeh geweest en in februari was bijvoorbeeld onze wijk ineens overstroomd. Er gebeurt gewoon veel meer in Jakarta.”Corien

Hometrainer
De kinderboekenschrijfster werd geboren in Delft en ging na de middelbare school theologie studeren in Kampen. Hoewel ze altijd riep dat ze dominee zou worden, is ze blij dat ze het niet is. “Ik heb mijn droom kunnen waarmaken door boeken te schrijven.” Vijf jaar geleden kwam haar eerste boek uit en inmiddels heeft ze er meer dan 25 op haar naam staan. “Ik schrijf wel door, ja,” zegt ze nuchter.

Hoe vind je de tijd om, naast het gevangenispastoraat, het huishouden en je gezin aan de lopende band boeken te schrijven?
“Het gevangeniswerk is een vrijwilligerstaak en kost niet heel veel tijd. Voor het huishouden heb ik een hulp – vooral van buitenlanders in Indonesië wordt verwacht dat ze een hulp hebben en op die manier lokale mensen van werk voorzien. Wij hebben een tuinman, en omdat we amper een tuin hebben, doet hij ook de afwas, de was en de schoonmaak. Als de jongens ‘s morgens om zeven uur naar school gaan, zit ik eerst een uurtje op de hometrainer, daarna begin ik met schrijven. De kinderen komen om een uur of drie thuis en maken dan hun huiswerk of gaan naar een vriendje, waarna ik dus ook weer tijd heb om te schrijven.
Wel heb ik ontdekt dat ik steeds minder snel schrijf. Ik word misschien kritischer, of het gaat gewoon niet meer zo vanzelf. Toen ik begon met schrijven, had ik het gevoel dat ik heel veel moest inhalen; ik had een enorme power. Nu ben ik wat aan het vertragen, of zo. Maar ik heb niet het idee dat dit erg is; ik wil niet op de automatische piloot schrijven.”

Een groot deel van je boeken is specifiek op jongens gericht. Doe je dat bewust?
“Een beetje wel. Ik wil graag boeken schrijven die jongens óók leuk vinden. Meestal komen er ook wel meisjes in mijn boeken voor, zodat zij het eveneens leuk vinden. Maar als je een boek schrijft met een meisje als hoofdpersoon, zoals Zoenen met een beugel, weet je zeker dat je alleen meisjes als lezers hebt. Doe je een jongen als hoofdpersoon met daarnaast een meisje, dan heb je kans dat je beide groepen bereikt. Het valt me trouwens op dat in heel veel boeken een jongen de hoofdpersoon is, die een wonderbaarlijke vriendschap heeft met een meisje. Terwijl ik mijn zoons niet steeds met meiden zie optrekken. Volgens mij is dat vanaf groep 5 wel een beetje afgelopen.”

Je schrijft boeken over heel uiteenlopende onderwerpen; paarden, voetbal, misdaad, enzovoort. Waar haal je je inspiratie vandaan?
“Ik heb veel geschreven over m’n kinderen. Toen de jongens met voetbal begonnen, leek het me leuk eens een voetbalboek te schrijven. Dat boek over paarden is wel grappig ontstaan: ik kreeg een vraag van de uitgever of ik een boek over paarden wilde schrijven, want meisjes houden zo van paardenboeken. Nou, ik weet helemaal níets van die dieren en ik houd ook helemaal niet van meisjesboeken die daarover gaan. Dus ik dacht: ‘Ik ga een paardenboek maken dat ook voor jongens leuk is. Over kinderen die helemaal geen verstand hebben van die beesten en ineens een paard uit een slachthuis weten te redden, maar geen idee hebben wat ze ermee moeten. Ik heb dat in Kampen laten spelen, omdat ik het slachthuis daar kende.”

Corien noemt als bijkomend voordeel dat ze een heel visueel geheugen heeft. Ze kan zich goed verplaatsen in steden waar ze heeft gewoond, zoals Kampen en Terneuzen. Voor de voetbalboeken (zoals De nieuwe linksbuiten, Voetbalclinic en – onlangs uitgekomen – De talentendag) onderhoudt ze intensief contact met haar neefjes in Heerenveen. “Zij vertellen mij bijvoorbeeld hoe het taalgebruik is, en welke woorden zij niet meer zouden gebruiken. Maar ik heb ook geleerd dat je niet al te veel moet meegaan met modern taalgebruik. Sommige dingen die kinderen nu zeggen, zijn over vijf jaar misschien weer uit.”

De kinderen uit jouw boeken komen uit heel leuke gezinnen. Is jouw gezin ook zo gezellig?
Ze schiet in de lach: “Eh, nee, maar er wordt bij ons wel heel veel geplaagd en er worden ook veel grapjes gemaakt. Hoewel ze nu wat puberachtig zijn; onze oudste is 14 en ik merk echt dat er dingen beginnen te veranderen. Misschien moet ik de hoofdpersonen wat chagrijniger maken,” peinst ze. “Ik denk dat het wel een valkuil is om in verhalen ouders té begrijpend te maken en kinderen te ideaal. Hoewel de jongens in het boek Zoenen met een beugel wel aardig vervelend zijn, hoor.”

Flauw
Op de vraag of haar kinderen ook haar boeken lezen, antwoordt ze met een vleugje schaamte: “Ja, gedwongen, zo nu en dan. Het is niet iets wat ze snel zullen pakken. Ze vinden het normaal dat ik schrijf en hebben zoiets van: ‘Onze moeder is gek; het is helemaal niet cool dat ze boeken schrijft, dus we gaan haar niet stimuleren.’ Wel flauw ja. Vooral omdat ik die eerste twee boeken echt voor mijn oudste zoon heb geschreven. Oké, hij heeft ze gelezen, maar ik heb er eigenlijk niet zoveel over gehoord. Eén troost: mijn moeder was journalist, maar voor haar stukken had ik net zo weinig belangstelling.”

Vind je het spannend als er weer een boek van je uitkomt?
“Heel spannend. O, afschuwelijk! Echt vreselijk. Een slechte recensie herinner ik me nog jaren.”

Noem eens een voorbeeld?
“Ik kreeg een heel slechte recensie over De frikadellenbende, het leukste boek dat ik ooit had geschreven. Over een paar jongens die het met twee misdadigers aan de stok kregen. Gebaseerd op een waar gebeurd verhaal dat mijn oom eens meegemaakt had. Nou, het was volgens de recensent nogal flauw en ongeloofwaardig geschreven – echt hartverscheurend als je het zelf zo leuk vindt. Van het Reformatorisch Dagblad kreeg ik gelukkig een heel leuke recensie.”

TEKST: Mirjam Hollebrandse
EO Visie – Oktober 2008

Geef een reactie