Daar komen de kinderdichters!

Er zijn mensen die denken dat Groningen ver weg is. Dat je toch wel een heel eind door onbewoond gebied moet reizen voor je in een klein, saai provinciestadje bent waar ze plat proatn en waar nooit wat gebeurt.
Maar er gaat niets boven Groningen, dat blijkt deze week maar weer tijdens de Poëziemarathon, waarin Stad en Ommeland gonzen van de poëzie. Onder leiding van Kasper Peters hadden zeven Kinderdichters in december de prachtigste gedichten gemaakt over het theater, en vier Dichters voor Kinderen (Kasper Peters, Remco Ekkers, Kees Spiering en ik) hadden óók een theatergedicht gemaakt. Deze zaterdag traden we op in bibliotheken in de provincie. Met twee busjes reden we van Zuidhorn naar Groningen, en van Groningen naar Haren, en van Haren naar Hoogezand en daarna naar Winschoten. De Kinderdichters zaten in het ene busje, en de Grotemensendichters zaten in het andere busje. Ik had twee boterhammetjes met jam mee, maar die had ik niet nodig, want onderweg kregen we van Jirke Poetijn, die zich ontpopte tot een ware moeder, broodjes met kaas en hagelslag, bananen en mandarijnen en brownies en vossenkoppen. ‘Hier heb ik ooit lesgegeven,’ zei Kees Spiering. ‘Hier woonden de ouders van mijn ex,’ zei Kasper. ‘Hier vlakbij woon ik,’ zei ik, en toen waren we er al weer voorbij.

Ik had een oprolbaar theatertje meegenomen dat ik ooit in Jakarta gekocht had, en er waren een paar kleine personen bereid om in mijn theatertje op te treden, dat was heel handig, zo hoefde ik niet alles zelf te doen. Wel was het lastig dat ik maar twee handen had, terwijl er vier personen van mijn handen gebruik wilden maken. Maar de Kinderdichters waren bereid om mij hun handen te lenen. Dus ik hoefde alleen maar mijn gedicht voor te dragen.

Ik ben een ontzettende keurige jongen:
een negen voor taal
en een tien voor gedrag.
Lief voor de meisjes
en aardig voor oma’s.
Beleefd in de klas,
ik doe niks wat niet mag.

 

Maar ’s avonds dan ga ik dus naar het theater.
Dan hang ik mijn jongetjespak aan een haak
en dan ben ik mezelf. Geen oma is veilig.
Al zijn ze wat taai en verschrikkelijk mager,
zo’n oma is meestal nog prima van smaak.
Ah, daar is Roodkapje,
ik lust wel een hapje.
‘Maar oma, wat hebt u een vet grote snuit!’
Het spijt me, lief meisje,
het sprookje is uit.

Dichter Esmé van den Boom was zo vriendelijk om als een soort Simson het theater te dragen. Heel toepasselijk eigenlijk.

De mooiste foto vind ik deze van Henk Veenstra Fotografie. (klik erop om te vergroten) Kinderdichter Josca staat achter het gordijn en speelt Roodkapje, maar ze kijkt tegelijkertijd óm het gordijn heen om te zien wat Roodkapje doet. En dat meisje dat daar lekker ligt te kijken en te luisteren.

Delen: